Augustus 2002. We zitten samen op een terras aan het water. De zon van Samos schijnt op ons neer en we zijn gelukkig. Eindelijk is alles helder, duidelijk. We kiezen voor elkaar. Waar ik zo lang naar uitkeek is eindelijk écht. Dit is het, het zoeken is voorbij. Wat een heerlijk gevoel.

Een paar mussen vechten om een stukje brood met aioli. “Dat vind ik zulke leuke vogeltjes”, zegt hij,  “ze lijken zo onopvallend, niks bijzonders om te zien, maar ze zijn zo lekker brutaal en eigenlijk prachtig als je de tijd neemt om ze te bekijken. Als ik ooit moet reïncarneren, dan als mus.”

We nemen nog een wijntje en kijken naar de ondergaande zon. We fantaseren over onze bruiloft; met blote voeten op het strand, zijn broer zal ons in een bakfiets voorrijden. Klein feestje, gewoon ontspannen, geen stress.

Januari 2018, de 22e. Ik zit op een klam bankje op Rusthof. Het is koud en vochtig, ik voel het tot in mijn botten. Voor mij zie ik de urnentuin. Waarom zit ik hier? Hier vind ik hem niet. Voor mij ligt hij in de duinen bij Egmond, waar ik zijn as heb uitgestrooid. Vandaag kan ik daar niet heen; thuis wacht een zieke echtgenoot en ook zieke dochter. Ik zoek hem toch hier, dichtbij de Andere kant. Ik hoop op een teken. Maar er komt niets.

Ik zit er al een klein uur en de rust hier doet me goed. Net ben ik langs geweest bij een paar van onze gezamenlijke oude vrienden die hier liggen. In mijn verbeelding liep hij naast me, want in want liepen we langs Door, Katja, Ed. Op mijn bankje laat ik mijn hand op de zitting rusten in de hoop zijn hand te voelen of tenminste mijn herinnering aan mijn hand in de zijne op te roepen. Er gebeurt niets, het lukt me niet.


Ineens zie ik hem voor me, zijn typische loopje lopend, hij zwaait uitbundig terwijl hij op me af komt en hij heeft een grote lach op zijn mooie gezicht.

De kou vertelt me dat het tijd is om te gaan. Ik kijk om me heen, op zoek naar…op zoek naar wat?
Het is een jubileum, vandaag is het precies vijftien jaar geleden dat hij overleed. Vijftien jaar geleden werd ik om half negen ’s ochtends wakker gebeld met het onbeschrijflijke verdrietige nieuws. Ik had dit jaar toch wel op iets gehoopt. Maar er is geen mus te bekennen.